Blisterverpakking met ronde pillen op linnen oppervlak naast een glas water, gefotografeerd van bovenaf in zacht natuurlijk licht.

Welke medicatie wordt gebruikt voor loopdrang bij dementie?

Bij dwaalgedrag en dementie is een gestructureerde, niet-medicamenteuze aanpak de eerste en belangrijkste stap. Toch worden soms antipsychotica of anxiolytica overwogen wanneer dwaalgedrag gepaard gaat met ernstige onrust of agitatie. Of medicatie zinvol is, en wanneer, is een afweging die uitsluitend door een arts of bevoegde zorgprofessional gemaakt wordt. In dit artikel bespreken we de oorzaken, de middelen die in de praktijk voorkomen, de mogelijke risico’s en de alternatieven die relevant zijn voor thuiszorgprofessionals.

Wat veroorzaakt dwaalgedrag bij mensen met dementie?

Dwaalgedrag bij mensen met dementie hangt samen met neurologische veranderingen, verminderd zelfbewustzijn en lichamelijke en psychische factoren. Bij dementie kan de aansturing van oriëntatie en doelgericht gedrag verstoord raken, waardoor iemand kan gaan rondlopen zonder duidelijk doel, de weg kwijtraakt of steeds de neiging heeft om te vertrekken.

Naast de neurologische achtergrond spelen meerdere factoren een rol:

  • Verminderd zelfbewustzijn: iemand met dementie herkent de eigen omgeving niet altijd en weet niet meer waar die is of naartoe gaat.
  • Onrust en angst: gevoelens van onveiligheid, verveling of onrust kunnen de drang om te lopen versterken.
  • Bijwerkingen van medicatie: bepaalde medicijnen kunnen rusteloosheid of agitatie als bijwerking hebben, wat mogelijk bijdraagt aan dwaalgedrag.
  • Pijn of lichamelijk ongemak: iemand die pijn heeft maar dit niet goed kan uiten, kan dit soms uiten door te gaan lopen of dwalen.
  • Prikkels uit de omgeving: lawaai, drukte of een onbekende omgeving kunnen dwaalgedrag uitlokken of versterken.

Bij nieuw of verergerd dwaalgedrag is het van belang dat een arts lichamelijke oorzaken zoals pijn of een infectie beoordeelt, voordat verdere stappen worden gezet. De fase van dementie waarin iemand zich bevindt, beïnvloedt ook de ernst en het patroon van het dwaalgedrag.

Welke medicijnen worden het meest voorgeschreven bij dwaalgedrag en dementie?

In de praktijk worden bij ernstige onrust in combinatie met dwaalgedrag soms antipsychotica zoals haloperidol en risperidon ingezet, en in bepaalde gevallen anxiolytica of antidepressiva bij onderliggende angst of depressie. Welk middel geschikt is, en of medicatie überhaupt aan de orde is, wordt altijd beoordeeld en beslist door een arts of specialist op basis van de individuele situatie. Medicatie richt zich hierbij op het verminderen van de onderliggende onrust, niet op het dwaalgedrag zelf.

Antipsychotica

Antipsychotica worden in sommige gevallen overwogen wanneer dwaalgedrag gepaard gaat met ernstige agitatie, agressie of psychotische verschijnselen die niet reageren op niet-medicamenteuze aanpakken. Bij ouderen met dementie worden deze middelen met grote terughoudendheid ingezet vanwege mogelijke bijwerkingen. Het gebruik wordt, indien voorgeschreven, regelmatig geëvalueerd door de behandelend arts.

Anxiolytica en antidepressiva

Wanneer een arts oordeelt dat dwaalgedrag samenhangt met angst, onrust of een depressieve stemming, kunnen anxiolytica of antidepressiva worden overwogen. Deze middelen zijn gericht op de onderliggende emotionele oorzaak. Ook hier zijn mogelijke bijwerkingen en interacties een belangrijk aandachtspunt, dat de behandelend arts meeneemt in de afweging.

Waarom is medicatie riskant bij dwaalgedrag en dementie?

Middelen die onrust en agitatie kunnen verminderen, hebben ook potentiële effecten op het bewustzijn, de mobiliteit en de cognitie. Bij mensen met dementie kan de gevoeligheid voor bijwerkingen verhoogd zijn, waardoor zelfs lage doseringen ongewenste effecten kunnen hebben. Dit is een van de redenen waarom medicatie bij deze doelgroep altijd zorgvuldig wordt afgewogen door een arts.

Mogelijke bijwerkingen die in de literatuur worden beschreven bij het gebruik van deze middelen bij mensen met dementie zijn onder meer:

  • Toegenomen verwardheid en desoriëntatie
  • Verergering van geheugenproblemen
  • Verhoogd risico op vallen door sufheid of verminderde coördinatie
  • Verhoogd risico op delier, met name bij opname of ziekte
  • Verminderde zelfredzaamheid doordat de persoon passiever wordt
  • Cardiovasculaire bijwerkingen zoals hartritmestoornissen

Langdurig gebruik van antipsychotica wordt in onderzoek in verband gebracht met een verhoogd risico bij ouderen met dementie. Bij mensen die al een vorm van dementie hebben, is de kans op nadelige effecten een serieus aandachtspunt. De behandelend arts weegt dit altijd af tegen de ernst van de situatie en de kwaliteit van leven van de persoon.

Wanneer is medicatie de juiste keuze bij dwaalgedrag?

Of medicatie bij dwaalgedrag en dementie aan de orde is, is een beslissing die uitsluitend door een arts wordt genomen na een zorgvuldige afweging van de voordelen, risico’s en de algehele gezondheidstoestand van de persoon. Medicatie wordt doorgaans pas overwogen als niet-medicamenteuze maatregelen onvoldoende effect hebben en de situatie de veiligheid of kwaliteit van leven ernstig in gevaar brengt.

Situaties waarin een arts medicatie kan overwegen, zijn onder meer:

  • Wanneer structuur, begeleiding en omgevingsaanpassingen onvoldoende helpen
  • Wanneer het dwaalgedrag leidt tot gevaarlijke situaties, zoals weglopen uit huis of vallen
  • Wanneer er sprake is van ernstige agitatie of agressie die het welzijn van de persoon en de omgeving aantast
  • Wanneer er een behandelbare onderliggende oorzaak is, zoals angst of depressie, die medicamenteus aangepakt kan worden

Medicatie is niet de eerste stap. Bij een lichamelijke oorzaak zoals pijn wordt die eerst behandeld door de arts. Bij medicatiegerelateerde onrust beoordeelt de arts of bestaande middelen aangepast of gestopt kunnen worden. De keuze voor een specifiek middel, indien aan de orde, hangt af van het type dementie, andere aandoeningen en het risico op bijwerkingen. Raadpleeg altijd een arts voor vragen over medicatie of behandelkeuzes.

Welke niet-medicamenteuze alternatieven bestaan er naast medicatie?

Niet-medicamenteuze benaderingen vormen altijd de eerste stap bij dwaalgedrag bij dementie. Denk aan een gestructureerd dagprogramma, omgevingsaanpassingen, zinvolle activiteiten en gedragsmatige ondersteuning. Deze aanpak kan dwaalgedrag verminderen zonder de risico’s die aan medicatie verbonden zijn.

De meest gebruikte niet-medicamenteuze interventies zijn:

  • Gestructureerd dagritme: een voorspelbare dagindeling met vaste momenten voor activiteiten, beweging en rust kan onrust verminderen en geeft de persoon houvast.
  • Zinvolle activiteiten: dwaalgedrag kan afnemen als iemand voldoende bezigheid heeft die aansluit bij de eigen interesses en mogelijkheden.
  • Beweging en wandelen: begeleide wandelingen of bewegingsactiviteiten kunnen de loopbehoefte een veilige uitlaatklep geven en rusteloosheid verminderen.
  • Omgevingsaanpassingen: het aanbrengen van visuele barrières, het camoufleren van deuren, goede verlichting en een veilige buitenruimte kunnen weglopen helpen voorkomen zonder de persoon onnodig te beperken.
  • Rustgevende prikkels: vertrouwde muziek, beelden of geuren kunnen onrust verminderen en bijdragen aan minder dwaalgedrag.
  • Structuur en dagritme: een voorspelbare dagindeling vermindert onrust en helpt de persoon beter te anticiperen op wat er komen gaat.

Een gestructureerd dagprogramma draagt bij aan rust en voorspelbaarheid, wat indirect ook dwaalgedrag kan verminderen. Dit is iets wat je als thuiszorgprofessional actief kunt stimuleren en ondersteunen.

Hoe kunnen thuiszorgprofessionals dwaalgedrag signaleren en bespreken?

Thuiszorgprofessionals kunnen dwaalgedrag bij dementie signaleren door te letten op gedragsveranderingen, rusteloosheid, herhaaldelijk rondlopen, pogingen om de deur uit te gaan en uitingen van verwardheid over de eigen locatie. Het is belangrijk bevindingen tijdig te bespreken met de cliënt, mantelzorger en het behandelend team, zodat de juiste stappen gezet kunnen worden.

Praktische signalen om op te letten:

  • De cliënt loopt ‘s nachts vaker rond of is onrustig
  • Er is sprake van herhaaldelijk naar de deur lopen of proberen te vertrekken
  • De cliënt weet niet meer waar die is of vraagt steeds om naar huis te gaan
  • De cliënt toont tekenen van angst of verwardheid tijdens het rondlopen
  • De cliënt heeft de neiging om de woning te verlaten zonder begeleiding

Als je dwaalgedrag signaleert, documenteer dit dan nauwkeurig: hoe vaak, op welk moment van de dag en in welke situaties. Bespreek het met de mantelzorger en rapporteer het aan de huisarts of verpleegkundig specialist. Het is van belang de situatie niet te bagatelliseren en niet uitsluitend te reageren met fysieke beperkingen. Dwaalgedrag verdient een volwaardige beoordeling door een bevoegde zorgprofessional.

Betrek ook de mantelzorger actief. Die ziet vaak patronen die tijdens een zorgbezoek niet zichtbaar zijn. Geef die concrete handvatten, zoals het bijhouden van een dagboek van het dwaalgedrag, en leg uit welke niet-medicamenteuze stappen die thuis kan ondersteunen.

Hoe Mr illi thuiszorgprofessionals ondersteunt bij structuur en dagritme

Dwaalgedrag bij dementie vraagt om een gestructureerde aanpak, en een voorspelbaar dagritme is daarin een van de meest gebruikte niet-medicamenteuze hulpmiddelen. Mr illi biedt thuiszorgprofessionals praktische ondersteuning om precies dat te realiseren.

  • Dagprogramma op maat: via het platform stel je een gepersonaliseerd dagprogramma in met vaste momenten voor activiteiten, beweging en ontspanning, wat rust en voorspelbaarheid biedt voor de cliënt.
  • Herinneringen voor activiteiten en dagelijkse routines: het platform geeft op het juiste moment herinneringen, zodat structuur en andere routines consistent worden opgevolgd.
  • Beheer op afstand: via het online portaal beheer je agenda, dagindeling en persoonlijke content zonder ter plekke te hoeven zijn, wat de werkdruk verlaagt.
  • Betrokkenheid van mantelzorgers: mantelzorgers kunnen via het platform actief bijdragen aan het dagprogramma, wat de afstemming tussen zorg en thuis versterkt.
  • Rustgevende content: gepersonaliseerde video’s, muziek en vertrouwde beelden kunnen onrust verminderen, wat indirect kan bijdragen aan minder dwaalgedrag en een betere dagstructuur.

Wil je weten hoe Mr illi ingezet kan worden bij jouw cliënten? Neem contact met ons op en we kijken samen naar de mogelijkheden.

Veelgestelde vragen

Kan dwaalgedrag bij dementie volledig verdwijnen met de juiste behandeling?

Volledige genezing is bij dementie zelden realistisch, omdat de neurologische oorzaak niet omkeerbaar is. Wel is het in veel gevallen mogelijk om het dwaalgedrag aanzienlijk te verminderen en de kwaliteit van leven te verbeteren. Met een combinatie van niet-medicamenteuze maatregelen, eventueel aangevuld met medicatie, kan het dwaalgedrag minder frequent worden en de belasting voor zowel de cliënt als de mantelzorger afnemen.

Hoe stel ik als thuiszorgprofessional een dagboek van dwaalgedrag op en wat noteer ik daarin?

Een dagboek bijhouden is eenvoudig: noteer gedurende twee tot drie dagen op welk tijdstip de cliënt begint te dwalen of te lopen, wat er aan het gedrag voorafging, hoe lang het duurde en hoe de situatie werd opgelost. Geef ook aan of er bijzondere omstandigheden waren, zoals agitatie of een drukke dag. Dit patroon geeft de huisarts of verpleegkundig specialist waardevolle informatie om de behandeling op af te stemmen.

Wat doe ik als een cliënt met dementie steeds wil weglopen of de deur uit wil?

De drang om te vertrekken is vaak een uiting van onrust, angst of onbegrip over de eigen situatie, niet van onwil. Dwing nooit, maar probeer de aandacht rustig te leiden naar een vertrouwde activiteit of omgeving. Gebruik herkenbare taal en koppel de begeleiding aan een vertrouwde routine. Als het weglopen structureel is, bespreek dit dan met het behandelteam, want het kan ook wijzen op pijn, angst of een andere onderliggende oorzaak.

Welke veelgemaakte fouten moet ik vermijden bij het omgaan met dwaalgedrag bij dementie?

Een veelgemaakte fout is het te snel grijpen naar fysieke beperkingen als enige oplossing, waardoor de onderliggende oorzaak onbehandeld blijft en de zelfstandigheid van de cliënt sneller afneemt. Ook het negeren van signalen van onrust of pijn is een misvatting: dwaalgedrag is vaak een uiting van een onderliggende behoefte. Verder wordt dwaalgedrag regelmatig ten onrechte uitsluitend toegeschreven aan de dementie zelf, terwijl angst, verveling of lichamelijk ongemak de echte oorzaak kan zijn.

Hoe bespreek ik dwaalgedrag op een respectvolle manier met de cliënt en mantelzorger?

Kies een rustig moment en gebruik neutrale, niet-beschamende taal, zoals ‘Ik merk dat u soms de neiging heeft om te gaan lopen of de deur uit te gaan’ in plaats van termen die het gedrag negatief framen. Erken dat het een gevoelig onderwerp is en benadruk dat het een veelvoorkomend en behandelbaar probleem is. Betrek de mantelzorger alleen als de cliënt daarmee instemt of als communicatie door de dementie ernstig beperkt is, en zorg altijd dat de waardigheid van de cliënt centraal staat.

Wanneer moet ik als thuiszorgprofessional direct contact opnemen met een arts over dwaalgedrag?

Neem direct contact op met de huisarts als er sprake is van plotselinge verergering van het dwaalgedrag, ernstige agitatie, agressie, tekenen van pijn of een delier, omdat dit kan wijzen op een acute lichamelijke of psychische aandoening. Ook bij een sterk verhoogd valrisico of gevaarlijke situaties door weglopen is snel handelen geboden. Wacht in die gevallen niet tot het volgende reguliere overlegmoment.

Zijn er hulpmiddelen of aanpassingen in huis die dwaalgedrag praktisch kunnen verlichten?

Ja, relatief eenvoudige aanpassingen kunnen een groot verschil maken. Denk aan het camoufleren van deuren met behang of gordijnen, duidelijke bewegwijzering binnen de woning, goede verlichting en een veilige buitenruimte of tuin waar de persoon veilig kan lopen. Ook een gps-tracker of deurmelding kan de veiligheid vergroten. Bespreek deze opties met de ergotherapeut, die een woningaanpassing op maat kan adviseren en zo nodig kan aanvragen.